Foutenleer en de redelijke verdeling van de stelplicht en de bewijslast volgens de Hoge Raad

Wie moet stellen en bewijzen dat er sprake is van een fout die toepassing van de foutenleer rechtvaardigt?
Toepassing van de foutenleer gaat vaak gepaard met grote fiscale belangen. Het ligt voor de hand dat diegene die gebaat is bij het herstel van de fout het initiatief neemt tot toepassing van de foutenleer. Rust op diegene dan de stelplicht en de bewijslast dat er sprake is van een fout en wat houdt dit dan in? Welke valkuil ligt voor de belastingplichtige op de loer als de inspecteur vindt dat de foutenleer moet worden toegepast?
10 nov 2017 mr. drs. Luc Jansen RB

De foutenleer kan slechts in bepaalde gevallen worden toegepast

Volgens de Hoge Raad kan de foutenleer alleen worden toegepast als er sprake is van

  • “bepaaldelijk een fout”
  • die doorwerkt in het eindvermogen van het laatst vastgestelde jaar

Met “bepaaldelijk een fout” doelt de Hoge Raad op iets dat strijdig is met de wettelijke voorschriften of met wat goedkoopmansgebruik redelijkerwijs nog toelaat. Dat “iets” kan geen incidentele fout zijn, zoals bijvoorbeeld een vergeten aftrekpost. Het moet tot uitdrukking komen (“doorwerken”) in de eindbalans van het laatst vastgestelde jaar.
Zijn we er dan? Nee! De Hoge Raad heeft in de vorige eeuw al uitgemaakt dat als een fout hersteld kan worden door middel van ambtshalve vermindering, navordering dan wel betaling van gewetensgeld een van die herstelmethoden voorgaat. Hebt u dus in 2013 onroerend goed aangeschaft en dit foutief geëtiketteerd, dan kan de fout volledig door middel van navordering of ambtshalve vermindering worden hersteld.


Op wie rust de stelplicht en de bewijslast bij toepassing van de foutenleer?

Op diegene die een beroep doet op de foutenleer rust de plicht te stellen en te bewijzen dat de foutenleer kan worden toegepast op een balanspost. Dat volgt uit een arrest dat de Hoge Raad in 2015 heeft gewezen. In de zaak van dat arrest had belanghebbende onroerend goed aangeschaft en dat -samen met de hypothecaire schuld- in zijn geheel als ondernemingsvermogen aangemerkt.
Toen belanghebbende zijn onderneming staakte, begreep hij in zijn aangifte echter geen stakingswinst ter zake van de overbrenging van het woongedeelte naar het privégedeelte.
De inspecteur was het hier niet mee eens en belastte de boekwinst op het woongedeelte.
Het Gerechtshof in Den Haag oordeelde vervolgens dat de Inspecteur niet was geslaagd in het van hem verlangde bewijs dat de aankoop van het woongedeelte een voldoende band had met de bedrijfsuitoefening om een keuze tot bedrijfsvermogen te rechtvaardigen en draaide dus feitelijk de bewijslast om. De Hoge Raad was het hier niet mee eens en overwoog als volgt:
“Het onderhavige geval kenmerkt zich daardoor dat belanghebbende een onroerende zaak die hij heeft aangeschaft en de geldschuld die hij ten behoeve van die aanschaf is aangegaan sinds de verkrijging van die onroerende zaak als ondernemingsvermogen heeft aangemerkt en de baten en de lasten ter zake daarvan steeds tot zijn winst uit onderneming heeft gerekend. Indien hij zich dan bij gelegenheid van de staking van de onderneming op het standpunt stelt dat de onroerende zaak ten onrechte steeds tot zijn ondernemingsvermogen is gerekend aangezien deze bij de verkrijging verplicht ging behoren tot zijn privévermogen, brengt een redelijke verdeling van de stelplicht en de bewijslast mee dat hij de feiten en omstandigheden stelt en bij weerspreking daarvan aannemelijk maakt die de conclusie rechtvaardigen dat de onroerende zaak niet tot het ondernemingsvermogen kon worden gerekend. Door van de Inspecteur het bewijs te verlangen van de feiten en omstandigheden die zijn standpunt kunnen dragen dat de aankoop van het woongedeelte voldoende band met de ondernemingsuitoefening had om een keuze tot ondernemingsvermogen te rechtvaardigen, heeft het Hof de bewijslast onjuist verdeeld.”
Van dit arrest leren we dat het voor de stelplicht en bewijslast er wezenlijk toe doet wie het beroep op de foutenleer doet. Maar het arrest levert wat mij betreft nog drie lessen op.

De lessen van het arrest voor als de ondernemer een beroep doet op de foutenleer

Les 1. De ondernemer in de zaak van het arrest dacht er makkelijk vanaf te komen. Hij liet de boekwinst op het woongedeelte buiten de aangifte en paste zo “geruisloos” de foutenleer toe. Goedkoop is duurkoop, ook in zijn geval: kosten van bezwaar, (hoger) beroep, beroep in cassatie en tot overmaat daarna ook nog de verwijzing naar een ander gerechtshof. Als je als ondernemer werkelijk een pleitbare zaak hebt, past het niet om de foutenleer te verstoppen in de aangifte.
Leg de zaak -voordat de aangifte wordt gedaan- voor aan de inspecteur en stem de toepassing van de foutenleer met hem af. Meestal kom je tot een vergelijk met kostenbesparing en zekerheid als resultaat.

Les 2. In de zaak van het arrest was er volgens de ondernemer sprake van foutief geëtiketteerd ondernemingsvermogen. De Hoge Raad is er duidelijk over: de ondernemer hoeft niet te bewijzen dat het onroerend goed verplicht privévermogen vormde. Hij moet alleen zoveel mogelijk feiten en omstandigheden aandragen die de conclusie rechtvaardigen dat het onroerend goed verkeerd geëtiketteerd is. En als de inspecteur die feiten en omstandigheden weerspreekt, moet hij (de ondernemer) het bestaan van die feiten en omstandigheden aannemelijk maken.

Les 3. Stelplicht en bewijslast zijn geen loze kreten. Het is een open deur, maar toch….. Analyseer, vóórdat je een beroep doet op de foutenleer, of er wel sprake is van een foutenleerfout en of er voldoende feiten en omstandigheden zijn die jouw standpunt kunnen dragen. Nog beter: zorg dat je geen beroep op de foutenleer hoeft te doen door bij aanschaf van onroerend goed van vermogensetikettering geen bijzaak te maken.

De les van het arrest voor als de inspecteur een beroep doet op de foutenleer

Ook de inspecteur moet zijn werk doen als (en voordat) hij een beroep doet op de foutenleer.
Ik heb verschillende keren meegemaakt dat de inspecteur een correctie aanbracht op basis van de enkele stelling dat de foutenleer van toepassing was. Trap in zo’n geval niet in de valkuil door als ondernemer of belastingadviseur meteen naar de inhoud te gaan en hierdoor werk te doen dat de inspecteur eigenlijk behoort te doen. Doet een inspecteur een beroep op de foutenleer? Leun achterover en vraag hem eerst te bewijzen dat er sprake is van een foutenleerfout.

Twijfelt u of u in het verleden een fout hebt gemaakt of wil de inspecteur in uw geval de foutenleer toepassen?

De foutenleer is een ingewikkeld leerstuk, waarvan de toepassing in de praktijk om specifieke kennis en ervaring vraagt. Mist u deze kennis/ervaring, neem gerust dan contact met mij op.

Auteur

Jansen_Luc_foto_bewerkt.jpg

mr. drs. Luc Jansen RB

Luc Jansen Belastingadvies I Mediation
Amersfoort
Specialisme(n): Vermogensetikettering, foutenleer en formeel recht
Profiel
Neem contact op voor een gratis consult
Fiscaalconsult

Fiscaalconsult is het kenniscentrum en online adviesplatform voor financiële of juridische dienstverleners, als ook controllers van ondernemingen die op zoek zijn naar fiscale expertise.

Fiscaalconsult
Kanaalpark 157
2321 JW Leiden

Contact
 
Nieuwsbrief ontvangen?

Nieuwsbrief ontvangen?

Ja, stuur mij de gratis nieuwsbrief! Uw gegevens worden uitsluitend gebruikt t.b.v. de verzending van nieuwsbrieven overeenkomstig de Wet Bescherming Persoonsgegevens (Wbp). U ontvangt maximaal 1 nieuwsbrief per week.

Controleer nu je e-mail

U ontvangt een bericht met instructies om uw e-mailadres te bevestigen. Zonder deze bevestiging sturen we u geen nieuwsbrief: doe het dus gelijk even!

Fiscaalconsult © 2017. Alle rechten voorbehouden. Privacybeleid en disclaimer

Ready for Online Business
1
0
1