Toerekening kwade trouw belastingadviseur aan belastingplichtige, aldus Hof!

Door de adviseur in de aangifte van een belastingplichtige opgevoerde nep-kosten leiden tot navordering bij belastingplichtige
In de praktijk komt het voor dat een belastingplichtige al dan niet met of via zijn adviseur bewust of onbewust aangifte inkomstenbelasting doet naar een te laag inkomen. Bepaalde inkomsten worden bijvoorbeeld verzwegen of er worden gefingeerde kosten in aftrek gebracht. Vaak wordt dit bij het opleggen van de definitieve aanslag niet (door de systemen van de Belastingdienst) opgemerkt. De inspecteur kan de tot te lage bedragen opgelegde definitieve aanslagen onder voorwaarden corrigeren door navorderingsaanslagen op te leggen. In maart 2020 heeft het Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2020:2103) uitspraak gedaan in een zaak waarbij de navorderingsbevoegdheid aan bod kwam. In het bijzonder kwam daarbij de toerekening van de kwade trouw van de adviseur aan de belastingplichtige aan bod.
5 mei 2020 Laatst gewijzigd: 22 mei 2020 Jurisprudentie mr. Samad Laghmouchi MBA

De uitspraak van Gerechtshof Arnhem – Leeuwarden is van 10 maart 2020 (ELCI:NL:GHARL:2020:2103). Conform deze uitspraak zijn de navorderingsaanslagen in kwestie terecht aan belastingplichtige opgelegd, omdat de kwade trouw van de adviseur bij het doen van de aangifte aan de belastingplichtige moet worden toegerekend. Wat zijn precies de feiten en overwegingen van dit hof die aan deze uitspraak ten grondslag liggen?

De feiten in de zaak voor het Hof Arnhem

De belastingplichtige, mevrouw A, werd gedurende een aantal jaren bij het opstellen en indienen van aangiften inkomstenbelasting bijgestaan door een belastingadviseur. Haar aangiften werden bij het opleggen van de definitieve aanslagen steeds gevolgd. Op een zeker moment blijkt na een onderzoek van de belastingdienst naar het aangiftegedrag van de belastingadviseur dat deze voor verschillende personen, waaronder voor mevrouw A, onjuiste aangiften heeft ingediend. Uit dat onderzoek blijkt onder andere dat de belastingadviseur voor veel van zijn klanten opvallend vaak zorgkosten opvoert. Ook bij mevrouw A komt de inspecteur tot de conclusie dat de door de belastingadviseur voor mevrouw A ingediende aangiften gecorrigeerd moeten worden door het opleggen van navorderingsaanslagen aan mevrouw A. Mevrouw A kan zich niet in die navorderingsaanslagen vinden en besluit in beroep te gaan.

De bevoegdheid tot navordering in het kort

Wil de inspecteur kunnen navorderen dan moet er op grond van artikel 16 lid 1 AWR onder meer sprake moet zijn van een nieuw feit. De inspecteur heeft geen nieuw feit nodig als er kwade trouw in het spel is. Een nieuw feit is ook niet nodig in een aantal specifiek in de wet omschreven gevallen. Uiteraard moet de inspecteur op tijd navorderen, namelijk  - kort geformuleerd - binnen vijf jaar na het belastingjaar eventueel verlengd met het verleend uitstel voor het indienen van de aangifte. In ‘buitenlandsituaties’ wordt de termijn van vijf jaar verlengd tot twaalf jaar.

In voornoemde uitspraak van het Hof waren onder meer de volgende vragen relevant:

  • Is sprake van kwade trouw?
  • Kan de kwade trouw van de belastingadviseur aan de belastingplichtige worden toegerekend?

Wanneer is sprake van kwade trouw?

Er is veel rechtspraak over de vraag wanneer sprake is van kwade trouw.

Zo volgt uit rechtspraak van de Hoge Raad dat van kwade trouw sprake is in de situatie dat een belastingplichtige in zijn aangifte opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden of opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt. Dit volgt onder meer uit het arrest van de Hoge Raad van 11 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2160, en van 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO5989.

Het feit dat van het onthouden van inlichtingen pas sprake kan zijn als de belastingplichtige de verplichting heeft om inlichtingen te verschaffen betekent dat de belastingplichtige dus uitgenodigd moet zijn tot het doen van aangifte. Zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2017, nr. 15/05278, ECLI:NL:HR:2017:638.

Ook is duidelijk dat opzet aanwezig moet zijn bij het onthouden van de juiste inlichtingen of het verstrekken van onjuiste inlichtingen. Voorwaardelijk opzet is voldoende. De belastingplichtige moet zich dus willens en wetens blootstellen aan de aanmerkelijke kans een onjuiste aangifte te doen. Grove schuld of onachtzaamheid is in ieder geval onvoldoende. Zo oordeelde het Hof Leeuwarden eerder dat een belastingplichtige niet te kwader trouw was toen hij bij het invullen van de aangifte uitgegaan was van de beschikbare jaaropgaven en niet de beschikking had over de aanvraagformulieren. De belastingplichtige was in dit geval slechts slordig maar zich er niet van bewust dat hij zijn aangifte onjuist invulde.

Maar hoe zit dit dan met de toerekening van kwade trouw van een derde, meer in het bijzonder de belastingadviseur, aan de belastingplichtige?

Toerekening kwade trouw aan belastingplichtige

Ook over de toerekening van kwade trouw aan de belastingplichtige bestaat al wat rechtspraak. Uit rechtspraak volgt enerzijds dat de kwade trouw van een adviseur in beginsel aan zijn client, de belastingplichtige, kan worden toegerekend. Zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 12 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2757.

Anderzijds is er ook rechtspraak waaruit kan worden afgeleid dat kwade trouw juist niet aanwezig hoeft te zijn in het geval de belastingplichtige in redelijkheid af kon gaan op de (juistheid van de) adviezen van zijn adviseur. Zie het arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE8092. In dit verband is nog van belang dat de Hoge Raad op 29 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5346 (het Bavinck-arrest) ook oordeelde dat het Hof ten onrechte niet was ingegaan op de stelling van belastingplichtige dat zij zich had gewend tot een gerenommeerd advieskantoor en haar aangifte naar dat kantoor had laten sturen om juist aan haar fiscale verplichtingen te voldoen. De toerekeningsvraag kwam in dit arrest echter niet aan de orde.

Het Hof in deze casus over de toerekeningsvraag

Het Hof Arnhem is in de hier besproken casus echter wel op de toerekeningsvraag ingegaan.

Het hof oordeelt namelijk dat de navorderingsaanslagen aan Mevrouw A kunnen worden opgelegd omdat haar adviseur te kwader trouw is geweest.

Mevrouw A trachtte in deze zaak (kennelijk) onder de toerekeningsvraag uit te komen door te stellen dat zij haar aangiften zelf had ingediend. Het Hof gaat daar echter niet in mee. De aangiften waren namelijk ingediend vanaf het IP-adres van haar adviseur. Het Hof vond het daarom aannemelijk dat mevrouw A bij het indienen van de aangiften gebruik heeft gemaakt van de diensten van haar adviseur.

Voor wat betreft de vraag of de adviseur te kwader trouw is geweest stelt het Hof vast dat de adviseur geen enkel onderzoek had gedaan naar de voorwaarden voor aftrekbaarheid van de geclaimde specifieke zorgkosten voor mevrouw A, alsmede voor andere belastingplichtigen. Mevrouw A heeft in deze casus in dit verband geen gegevens en bewijsstukken verstrekt over de geclaimde zorgkosten en giften. Het Hof vindt het daarom aannemelijk dat de adviseur ook in de aangiften van mevrouw A gefingeerde zorgkosten en giften had geclaimd. Het hof oordeelt dan ook dat de adviseur opzettelijk onjuiste gegevens en inlichtingen heeft verstrekt. Het Hof kwalificeert dit als kwade trouw en meent net als de rechtbank dat dit aan mevrouw A kon worden toegerekend.

Moraal van het verhaal

Wanneer belastingplichtigen bij het doen van aangiften bijgestaan worden door een belastingadviseur, zijn zij niet zonder meer gevrijwaard van navorderingsaanslagen. Dit betekent echter niet dat belastingplichtigen met een slordige belastingadviseur niets tegen een opgelegde navorderingsaanslag kunnen inbrengen. In het geval een belastingplichtige bij het doen van aangiften is bijgestaan door een adviseur dan is het aan de inspecteur om diverse elementen te bewijzen voordat navordering aan de orde is. Onder meer de volgende elementen zullen daarbij zeker onderzocht moeten worden:

  • Is de inspecteur op tijd met zijn navorderingsaanslag?
  • Is er überhaupt sprake van een nieuw feit? Of is er (los van kwade trouw) geen nieuw feit nodig?
  • Is sprake van te kwader trouw (opzet) van de adviseur?
  • Is de belastingplichtige te kwader trouw?

En als de adviseur te kwader trouw is, dan wordt dit in beginsel aan belastingplichtige toegerekend. Of is het feitencomplex in uw situatie dusdanig dat die toerekening toch niet aan de orde zou moeten zijn?

Vraagt u zich af of in uw situatie een navordering succesvol kan worden bestreden? Neem dan contact op!

Auteur

Laghmouchi_Samad_foto.jpg

mr. Samad Laghmouchi MBA

Laghmouchi Law
Utrecht
Specialisme(n): Internationaal belastingrecht, vennootschapsbelasting, inkomstenbelasting, ANBI’s, geschillen met Belastingdienst
Profiel
Neem contact op voor een gratis consult
Fiscaalconsult

Fiscaalconsult is het kenniscentrum en online adviesplatform voor financiële of juridische dienstverleners, als ook controllers van ondernemingen die op zoek zijn naar fiscale expertise.

Fiscaalconsult
Kanaalpark 157
2321 JW Leiden

Volg ons op

 
Fiscaal nieuws ontvangen?

Fiscaal nieuws ontvangen?

Ja, stuur mij de nieuwsbrief met fiscale updates en ontwikkelingen. Gegevensverwerking en verzending overeenkomstig de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). U ontvangt maximaal 1 nieuwsbrief per week.

Controleer nu uw mailbox

U ontvangt een bericht met instructies om uw e-mailadres te bevestigen.

Fiscaalconsult © 2019. Alle rechten voorbehouden. Privacybeleid en disclaimer

Ready for Online Business
1
0
1