Bedrijfsopvolgingsfaciliteit: vaar de juiste koers!

Laat de onderneming belastingvrij bij de volgende generatie terecht komen door toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit. Van belang is dat de voorwaarden hiervoor nauwgezet worden nageleefd. De schenker moet de onderneming al 5 jaar in bezit hebben en de erflater tenminste 1 jaar (bezitsvereiste). Daarnaast moet de onderneming tenminste 5 jaar worden voortgezet (voortzettingsvereiste). Als daaraan niet wordt voldaan dan volgt alsnog vaak een forse aanslag schenk- of erfbelasting.
22 jun 2017 Laatst gewijzigd: 20 jul 2017 Kennis dr. Yvonne Tigelaar-Klootwijk

De bedrijfsopvolgingsregeling in het kort

Met ingang van 1 januari 2010 zijn de fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten ingrijpend veranderd. Deze faciliteiten bieden de mogelijkheid de belastingheffing bij een bedrijfsoverdracht uit te stellen of zelfs af te stellen. Om de faciliteiten op een juiste manier toe te passen, moet u voor uw cliënten wel alle voorwaarden goed in acht nemen. Zo is het voor de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de schenk- en erfbelasting (hierna: BOF) van belang dat wordt voldaan aan het bezits- en voortzettingsvereiste (art. 35d en 35e SW 1956).

De wetgever is van mening dat de BOF alleen mag worden toegepast als een ondernemer een onderneming overdraagt aan een andere ondernemer die de onderneming vervolgens voortzet. Maar wanneer is er nog sprake van een onderneming? Ik concentreer me hier op de situatie waarbij de onderneming in de BV-vorm wordt gedreven.

Het bezitsvereiste bij een BV

Voor het bezitsvereiste (art. 35d SW 1956) is van belang dat de schenker of erflater vermogensbestanddelen bezit die tot een aanmerkelijk belang behoren. Voor de schenker geldt daarbij een periode van vijf jaren en voor een erflater een periode van één jaar. Wanneer behoren vermogensbestanddelen evenwel tot een aanmerkelijk belang? Voor gewone aandelen is dit niet zo lastig. Als de erflater of schenker tenminste 5% van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is dan is sprake van een aanmerkelijk belang. Maar als hiervan geen sprake is, kan er dan toch voor worden gezorgd dat er een kwalificerend aanmerkelijk belang ontstaat voor de BOF? Dit blijkt te kunnen door bijvoorbeeld een soort aanmerkelijk belang te creëren (art. 4.7 Wet IB 2001). Het is ook mogelijk dat uw cliënt het liefste zou overdragen tegen schuldigerkenning. Na deze overdracht is toepassing van de BOR in de toekomst evenwel niet meer mogelijk. U zou met uw cliënt na kunnen denken over het tijdig creëren van preferente aandelen dan wel het gebruik maken van een CV-structuur.

Verder is vereist dat de BV gedurende de hiervoor genoemde periode een onderneming dreef. Als sprake is van een holdingstructuur wordt de holding geacht de onderneming te hebben gedreven indien de werkmaatschappij gedurende de bezitsperiode een onderneming heeft gedreven.

Het voortzettingsvereiste bij een BV

Tot nu toe hebben we het alleen over de erflater en schenker gehad (bezitsvereiste). We hebben evenwel gezien dat de wetgever ook wil dat de verkrijger als ondernemer de onderneming voortzet (voortzettingsvereiste art. 35e SW 1956). Het voortzettingsvereiste houdt in dat de verkrijger het bij de schenking of overlijden verkregen aanmerkelijk belang gedurende een periode van vijf jaren niet mag vervreemden. Ook mag de vennootschap waarin de onderneming wordt gedreven gedurende een periode van vijf jaren niet ophouden winst uit onderneming te genieten. Maar wat moeten we ons hierbij voorstellen als het om een BV gaat? Eigenlijk komt het erop neer dat een derde niet gerechtigd mag worden tot de onderneming waarin de BV wordt gedreven. Het is dus niet mogelijk een ander gedurende de voortzettingstermijn in de BV te laten participeren. Het voorgaande geldt ook voor een holdingstructuur. In dat geval mag de verkrijger de aandelen in de holdingvennootschap gedurende een periode van vijf jaren niet vervreemden en mag geconsolideerd bezien er niet opgehouden worden winst uit onderneming te genieten. Dit betekent dat gedurende een periode van vijf jaren de verkoop van een werkmaatschappij ertoe leidt dat de BOR gedeeltelijk wordt teruggenomen. Eigenlijk gaat de boel op slot voor een periode van vijf jaren. Dit betekent dat u uw cliënt goed moet informeren wat hij of zij tijdens de vijfjaarsperiode wel of niet mag doen.

Versoepeling voorwaarden in bijzondere situaties

Overigens zijn in art. 9 (bezitseis) en art. 10 Uitv.reg. schenk- en erfbelasting (voortzettingseis) nog wel versoepelingen op de vereisten opgenomen, maar hierbij moet vooral worden gedacht aan situaties waarbij de juridische huls wordt veranderd maar waarbij economisch gezien alles bij het oude blijft. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin de eenmanszaak geruisloos in de BV is ingebracht (met toepassing van art. 3.65 Wet IB 2001). Als de onderneming al tien jaren als eenmanszaak voor rekening van uw cliënt wordt gedreven maar uw cliënt daarna pas een half jaar de aandelen in de BV bezit zou dan niet aan de bezitseis zijn voldaan als uw cliënt plotseling komt te overlijden? Dit soort situaties zijn gelukkig goed geregeld. Maar voor vele andere situaties is helaas geen tegemoetkoming geboden.

Sparren over oplossingen voor uw cliënten?

Mocht u advies nodig hebben omtrent een juiste toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten dan kunt u desgewenst altijd met mij contact opnemen om na te denken over eventuele oplossingsrichtingen.

Auteur

Tigelaar-Klootwijk_Yvonne_foto.jpg

dr. Yvonne Tigelaar-Klootwijk

Scientia Fiscalis
Alblasserdam
Specialisme(n): Bedrijfsopvolging Successiewet/Inkomstenbelasting, IB-ondernemers, personenvennootschappen, dga-problematiek, vennootschapsbelasting
Profiel
Neem contact op voor een gratis consult