Nieuw besluit verheldert vennootschapsbelastingpositie van stichtingen en verenigingen

Opteer tijdig voor belastingplicht om verliesverrekening veilig te stellen
De vennootschapsbelasting geldt in Nederland als winstbelasting voor rechtspersonen. Omdat het (statutaire) doel van de rechtspersoon van ondergeschikt belang is bij het onderkennen van vennootschapsbelastingplicht, moeten ook ondernemende non-profitorganisaties hun feitelijke activiteiten en exploitatieresultaten bewaken. Wanneer een organisatie een onderneming drijft binnen de rechtsvorm van een vereniging of stichting, dan is zij – soms met een gedeelte van haar activiteiten – aan te merken als belasting- en aangifteplichtig. Blijft de onderneming in resultaat beperkt dan zorgt een vrijstelling er alsnog voor dat belasting- en aangifteplicht uitblijft. Zo’n vrijstelling klinkt aantrekkelijk, maar is lang niet altijd voordelig. Om de nadelen van de vrijstelling te voorkomen, moet de nijvere instelling tijdig actie nemen.
14 nov 2018 Laatst gewijzigd: 1 dec 2018 Kennis mr. Jos van Bavel

Let op: de vrijstelling is niet altijd voordelig

De stichtingen of verenigingen die, al dan niet gedeeltelijk, een onderneming drijven, zijn vennootschapsbelastingplichtig. Dat betekent dat zij hun fiscale winst moeten bepalen aan de hand van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Voor allerlei maatschappelijke initiatieven van beperkte omvang is dat praktisch een hele opgave. Bovendien bestaat veelal een beperkt heffingsbelang. Vandaar dat de wetgever voor ‘kleine’ ondernemende stichtingen en verenigingen in artikel 6 van de Wet Vpb heeft bepaald dat zij onder voorwaarden vrijgesteld blijven. Een aangifte kan dan ook achterwege blijven.

Een stichting of vereniging is ‘klein’ als de fiscale winst in enig jaar maximaal € 15.000 bedraagt [eerste winstgrens of -drempel], ofwel in dat jaar én in de daaraan voorafgaande vier jaren in totaal maximaal € 75.000 [tweede winstgrens of -drempel]. Daarbij maakt de wet duidelijk dat verliesjaren binnen die vijfjaarstermijn fictief op ‘nihil’ moeten worden gesteld. Verliezen komen zodoende fiscaal niet voor verrekening in aanmerking. Wenst de instelling verliezen fiscaal wél te kunnen verrekenen, dan is tijdige actie nodig door de vrijstelling achterwege te laten en juist te opteren voor belastingplicht.

Hoe de vrijstelling uit te leggen en toe te passen?

Over de werking van de subjectieve vrijstelling voor stichtingen en verenigingen is op 11 oktober 2018 een besluit gepubliceerd (besluit van 19 september 2018, nr. 2018-155144). De staatssecretaris van Financiën gaat in dit besluit onder meer in op de vraag hoe om te gaan met de optie om de vrijstelling achterwege te laten en hoe om te gaan met verliesverrekening over een periode van vrijstelling heen. De belangrijkste onderdelen van dit besluit licht ik hierna toe.

Tijdig opteren

Wanneer een verlies fiscaal niet bij beschikking wordt vastgesteld en een instelling dit resultaat heeft bereikt in een vrijgestelde periode, dan kan dit verlies niet worden verrekend met een toekomstig batig exploitatieresultaat van de organisatie. Vanwege de winstdrempels in de vrijstelling leidt een verlies in enig jaar bovendien van rechtswege tot toepassing van de vrijstelling; hierdoor eindigt een eventuele periode van belastingplicht, ontstaat een sfeerovergang van belast naar onbelast met eindafrekening ten gevolge.

Het besluit maakt helder dat eindafrekeningswinst moet worden verantwoord in de aangifte die voorafgaat aan het verliesjaar. Logisch ook, aangezien het verliesjaar zelf buiten de belastingplichtige periode blijft wanneer niet wordt geopteerd.

Als eindafrekening moet worden voorkomen, dan schrijft het beleidsbesluit voor dat uiterlijk tot aan het moment waarop de definitieve aanslag vennootschapsbelasting wordt opgelegd nog geopteerd kan worden voor vennootschapsbelastingplicht. Hoewel de wetstekst in artikel 6, lid 3 Wet Vpb rept over ‘een uiterlijk gelijktijdig met de aangifte gedaan verzoek’, lijkt de staatssecretaris de praktijk nu tegemoet te komen. Over een boekjaar buiten de belastingplichtige periode van de organisatie wordt immers regulier geen aangifte gedaan, zodat de wetstekst een dode letter lijkt. Een tegemoetkoming lijkt dus gewenst.

Maar voor het verliesjaar wordt – juist vanwege de werking van de vrijstelling – regulier ook geen definitieve aanslag vennootschapsbelasting opgelegd. De vraag is dus wat de praktijk met de tegemoetkoming opschiet. Omdat het besluit een termijn gunt tot uiterlijk het moment van opleggen van de definitieve aanslag en deze aanslag zal uitblijven, ontstaat een veel langere termijn om nog te opteren voor belastingplicht. Praktisch is deze termijn overigens wel beperkt, bijvoorbeeld door feiten in en/of fiscale keuzes in latere boekjaren alsmede de termijn die de instelling heeft om te verzoeken om een uitnodiging tot het doen van aangifte.

Waarschijnlijk bedoelt ook het besluit aan de praktijk een langere periode voor de optie te bieden. Een periode die eindigt uiterlijk op het moment waarop de inspecteur aan de instelling bericht dat geen aanslag zal worden opgelegd. De praktijk is gediend met de geboden extra termijn om te opteren voor belastingplicht. Periodieke en tijdige aandacht bij de stichting of vereniging voor de keuzemogelijkheid blijft onverminderd geboden. Want als de aanslag eenmaal is opgelegd, verwacht dan niet van de Belastingdienst dat alsnog kan worden geopteerd voor belastingplicht.

Oude verliezen verdampen niet

Het besluit maakt duidelijk dat oude, bij beschikking geformaliseerde fiscale verliezen voor een stichting of vereniging ook verrekenbaar blijven na een tussentijdse periode van vrijgestelde boekjaren. Als er wederom sprake is van vennootschapsbelastingplicht komen dergelijke oude verliezen dus in beginsel voor verrekening in aanmerking. Uiteraard gelden daarbij wel de reguliere verliesverrekeningstermijnen uit de Wet Vpb. Toepassing van de subjectieve vrijstelling leidt daarmee niet tot het verdampen van verrekenbare verliezen.

Het besluit maakt duidelijk dat verliezen uit een eerdere belaste periode verrekenbaar blijven met winsten uit een volgende belaste periode. Omdat verliezen subjectgebonden zijn, kiest de staatssecretaris hierin een logisch uitgangspunt. De introductie in 2016 van de fictie van artikel 2, lid 7 Wet Vpb lijkt eventuele wijzigingen in de aard van de ondernemingsactiviteiten van een stichting of vereniging in een tussengelegen vrijgestelde periode irrelevant te maken.

Werking drempelbedragen bij korte historie

De subjectieve vrijstelling van artikel 6 kent in de zogenoemde ‘tweede winstgrens’ een bedrag dat verwijst naar een referentieperiode van vijf boekjaren. Het besluit maakt duidelijk dat stichtingen of verenigingen die weliswaar reeds vijf boekjaren bestaan maar pas sinds een kortere periode een onderneming drijven, de tweede winstgrens naar rato van het bestaan van hun ondernemerschap moeten toepassen. De winstdrempel geldt ook naar rato van het aantal ondernemingsjaren voor nieuw opgerichte nijvere stichtingen en verenigingen, aldus de staatssecretaris. Overigens blijft het zonder meer pleitbaar om de tweede winstdrempel als een absolute grens te beschouwen, aldus ook Rechtbank Gelderland in de uitspraak van 23 oktober 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:4520, over de vennootschapsbelastingpositie van een beroepsvereniging voor Nederlandse Stylisten.

Eindafrekeningswinst slechts één keer bepalen

Toepassing van een subjectieve vrijstelling voor de ondernemende stichting of vereniging leidt tot sfeerovergang van belaste naar onbelaste sfeer en dus tot eindafrekening met de Belastingdienst. De eindafrekeningswinst wordt verantwoord in de belaste winst van het jaar voorafgaand aan de vrijgestelde periode. Eindafrekeningswinst kan ook aan de orde zijn bij staking van de onderneming door de stichting of vereniging, bijvoorbeeld door verkoop van de onderneming.

Het besluit maakt helder dat de winstdrempels van de subjectieve vrijstelling van artikel 6 Wet Vpb slechts één keer worden beoordeeld. Ofwel in het jaar van staking van de ondernemingsactiviteiten ofwel doordat de organisatie in enig jaar onder de winstdrempels blijft. De eenmalige beoordeling van de winstgrenzen heeft dan plaatsgevonden. De uit toepassing van de vrijstelling mogelijk voortvloeiende eindafrekeningswinst heeft op die eerdere beoordeling geen invloed meer maar wordt wel aangegeven in het laatste jaar van de belastingplicht. Het besluit verduidelijkt dat een cirkelredenatie ter zake de eindafrekeningswinst voorkomen moet worden. Uiteraard wordt eindafrekening voorkomen door een tijdige optie tot achterwege laten van de subjectieve vrijstelling.

Keuze eerste boekjaar

Het besluit maakt duidelijk dat het ‘jaar’ waarnaar de subjectieve vrijstelling van artikel 6 Wet Vpb verwijst, opgevat moet worden als het ‘boekjaar’ zoals gedefinieerd in artikel 7, lid 4 Wet Vpb. Nijvere stichtingen en verenigingen die reeds vanaf hun oprichtingsdatum beogen een onderneming te drijven in de zin van de Wet Vpb, kunnen daardoor belang hebben bij de keuze voor een lang of juist kort eerste boekjaar. De eerste en de tweede winstgrens uit de subjectieve vrijstelling knopen beide aan bij het boekjaar van de instelling. De keuze van het (statutaire) eerste boekjaar kan daarmee zowel leiden tot fiscaal voor- als nadeel voor de ondernemende stichting of vereniging.

Andere fiscale overwegingen bij keuzes vennootschapsbelastingplicht

De keuze die ‘kleine’ ondernemende stichtingen en verenigingen hebben om al dan niet vrijgesteld te blijven van vennootschapsbelastingplicht brengt ook aandacht voor de bredere fiscale positie van de instelling. Wat te denken bijvoorbeeld van de gevolgen van de keuze voor:

  • de status als Sociaal Belang Behartigende Instelling van de organisatie;
  • de relatie met de ‘commerciële’ activiteiten van een Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI) en het algemeen nuttige karakter van de instelling als geheel;
  • het afschrijvingsregime van de organisatie;
  • de toepassing van de vrijwilligersvergoeding uit de Wet op de loonbelasting 1964;
  • de mogelijkheden tot teruggaaf van energiebelasting uit hoofde van de Wet op de milieugrondslag.

Voornoemd besluit van de staatssecretaris van Financiën brengt op onderdelen meer duidelijkheid. De praktijk kan daarmee haar voordeel doen. Maar uiteraard blijft het denkbaar en/of pleitbaar om de wetgeving meer in het voordeel uit te leggen van een stichting of vereniging.

Mocht u nijvere stichtingen of verenigingen tot uw cliënten rekenen waarbij de vennootschapsbelasting- en aangifteplicht aan de orde is, dan kunt u desgewenst vrijblijvend contact met mij opnemen om uw situatie voor te leggen.

Auteur

Jos-kleur-groot.jpg

mr. Jos van Bavel

Verder Fiscaal Specialisten B.V.
Utrecht
Specialisme(n): Stichting, vereniging, ANBI, SBBI
Profiel
Neem contact op voor een gratis consult
Fiscaalconsult

Fiscaalconsult is het kenniscentrum en online adviesplatform voor financiële of juridische dienstverleners, als ook controllers van ondernemingen die op zoek zijn naar fiscale expertise.

Fiscaalconsult
Kanaalpark 157
2321 JW Leiden

Volg ons op

 
Fiscaal nieuws ontvangen?

Fiscaal nieuws ontvangen?

Ja, stuur mij de nieuwsbrief met fiscale updates en ontwikkelingen. Gegevensverwerking en verzending overeenkomstig de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). U ontvangt maximaal 1 nieuwsbrief per week.

Controleer nu uw mailbox

U ontvangt een bericht met instructies om uw e-mailadres te bevestigen.

Fiscaalconsult © 2017. Alle rechten voorbehouden. Privacybeleid en disclaimer

Ready for Online Business
1
0
1